pesten {Ans: erg vervelende dingen tegen iemand zeggen of doen}de taart (figuurlijk) {Ans: akelige vrouw, heks}het afdak {Ans: dakje aan muur of gebouw}het heiligdom {Ans: je favoriete plek}krap {Ans: te klein, te weinig plaats}de hinderpaal {Ans: iets wat in je weg staat}vastketenen, ketende vast, vastgeketend {Ans: vastmaken}bol staan van {Ans: vol staan met}verzuurd {Ans: verbitterd, slecht geworden}omtoveren tot {Ans: grondig veranderen}de duimen leggen {Ans: zich overgeven, verliezen}zelfvoorzienend {Ans: zo georganiseerd dat je in je eigen behoeften kunt voorzien}uitbreken, brak uit, uitgebroken {Ans: groter maken door iets af te breken}vernuftig, vindingrijk {Ans: slim en handig}iets onder handen nemen {Ans: iets aanpakken}een tikkeltje {Ans: een beetje}plagen {Ans: voor de grap proberen iemand boos te maken}de weerklank {Ans: invloed, reactie}zich de koning te rijk voelen {Ans: zich heel gelukkig voelen}iemand iets bijbrengen {Ans: iemand iets aanleren}